Lode Laperre

EN - NL

De kleuren van de keizer

Lode Laperre ziet in kleur het atoom van elk schilderij dat hij maakt. Zoals atoomdeeltjes elkaar aantrekken, afstoten, zich loswrikken uit hun mantel of er zich juist aan vastklitten – zo treden de kleuren op Laperres doeken met elkaar in het strijdperk.

Ik kan het ook vergelijken met sumo, een ceremoniële Mongools-Koreaans-Japanse vechtpartij met twee worstelaars. Beiden groeten elkaar buigend en staan vervolgens een korte wijle voor elkaar, bewegingloos maar tot het uiterste gespannen binnen een kleine cirkelomtrek, wachtend op het startsignaal van de arbiter. Bliksemsnel springen de worstelaars op elkaar af, grijpen elkaar bij de dikke nek of trachten het zware lijf van de tegenstander uit evenwicht te lichten en aan de onverbiddelijke zwaartekracht toe te vertrouwen, of anderszins een deel van diens lichaam buiten de spelcirkel te doen belanden. Lukt dat, dan overwint hij die in de cirkel weet te blijven. 

In Laperres schilderwerk gaat het er veel minder ceremonieel maar wel, vanuit het standpunt van de kleuren, tenminste even ruig aan toe. In het geding zijn hier talrijke worstelaars, in casu de voor Laperre opgestelde kleurtubes en potten die de schilderende scheidsrechter knijpt en giet op het strijdperk dat zijn doek is. Ik kom op die typisch Laperriaanse techniek nog terug.

Maar nu eerst een gedachte-experiment. Stel, er leeft een wormpje in elke kleur, in elke verfklodder. Dat onooglijke maar slimme wezentje zal heel goed in de gaten krijgen waaruit de kleur bestaat waar het in opgesloten zit: welke bestanddelen de kleur bezit – korreltjes, minuscule druppeltjes, glans dan wel matheid, verfklodders die snel afglijden dan wel juist stroperig tranen, et cetera.     Wanneer het wormpje al die onderdelen observeert in hun onderlinge botsingen, afstotingen, omarmingen en afkitsingen , dan begrijpt zo’n wormpje ook dat zulke wentelingen, aantrekkingen, rondedansjes, losscheuringen, samenvloeiingen... elkaar beïnvloeden en onderling veranderen, zoals elementaire deeltjes in de kwantumwereld. Bovendien beseft het wormpje dat elke kleur, tint, glans, elk mat vlakje, bultje, geultje, kuiltje, randje, kratertje... wanneer ze in onderlinge confrontatie zich meten – dat elke kleur bestaat om te verdwijnen in een getransformeerd en zelfs getransfigureerd bestaan, een nieuw want voordien onbestaand geheel dat ons slimme wormpje voortaan schilderij noemt. Terloops: de psalmist vergelijkt de mens, ook de schilderende mens die goochelt met verf en kleur, met een worm, sicut vermis

Zo voegt slimme worm Laperre met elk nieuw schilderij een kleurrijke atoomstructuur toe aan het Grote Geheel dat wij heelal noemen. Laperre is een kosmisch, en gelukkig bij momenten ook een komisch schilder die, àls zijn schilderij lukt, tevreden als Spinoza, wijsgerig constateert hoe alle door hem ingezette en gearbitreerde elementaire kleurdeeltjes, in een natuurlijke harmonie onder elkaar, een sterschilderij zijn geworden. En die zoveelste nieuwe, fonkelende ster prikt de eeuwige Natuur aan het eindeloze uitspansel. Alles ist nur ein Gleichnis, aldus Goethe in zijn Faust.

Goed, maar wat is nu feitelijk die raadselachtige kleur? Newton ziet de kleuren opgesloten in het licht dat bij breking die kleuren in een spectrumband vrijgeeft aan ons waarnemend oog. Goethe wil de grote Newton even op z’n plaats zetten en omschrijft kleuren anders. Licht kan niets bevatten dat donkerder is dan zichzelf, zo redeneert hij. Maar als het licht op duisternis inbeukt en erin doordringt, dàn ontstaan de kleuren!

Wetenschappelijk hout snijdt eerst Thomas Young, de ontdekker van het astigmatisme die beschrijft hoe drie soorten receptieve kegeltjes over het netvlies zijn verdeeld. Daarmee kunnen wij, bij prikkeling van die kegeltjes, een heel kleurenspectrum waarnemen.

Los van Goethes rare visie, die als theorie nooit deugde omdat licht nu eenmaal niet tot iets anders kan worden herleid, rijst nu een veel interessantere vraag. Beschrijven kleuren een specifieke kwaliteit van het licht, of verschijnen ze ons omdat ons oog ze schept? Zoals altijd gaat het om beide: kleuren bestaan wel degelijk in de natuur, ook als mijn oog ze niet ziet, maar anderzijds zijn er ook aan daltonisme lijdende mensenogen die ze niet waarnemen, en dus voor hen bestaan de kleuren niet of althans niet zoals het gezonde oog de kleuren scheppend waarneemt.

Vooral de verre voorlopers van Laperres abstracte schilderkunst, de impressionisten en hun wetenschappelijke tijdgenoten, waren gefascineerd door de picturale weergave van kleurenindrukken. De in Den Haag uit de Hollandse schilder Jean Humbert geboren kunstenaar en geleerde David Pierre Giottino Humbert de Superville (aan de lengte van zijn zelfgesmede naam merk je al de grootheidswaan van de man) beweert in zijn theorie alle vormen en kleuren van de natuur te verklaren. Ik laat die claim zonder commentaar. Maar de licht getikte Humbert de Superville legde wel de basis voor de abstracte kunst, waartoe onze Laperre zich bekent. Ik peins er niet over u te vervelen met een uiteenzetting van Humberts theorie. Zijn dogmatiek en megalomane kleurvoorschriften die, waren ze ooit toegepast, volgens Humbert een ideale samenleving hadden opgeleverd, laat ik terzijde om zijn voor de kunst wezenlijke vernieuwing als een stelling onder uw aandacht te brengen. Niet de concrete voorstellingen, de afbeeldingen en herkenbare personages bepalen de artistieke zin: maar wél de kleur, vorm en richting. Ik denk dat Laperre zich in deze stelling helemaal kan vinden. U kunt het hem zelf vragen.

Georges Seurat beschouwen we als de vader van het pointillisme, een techniek om een uit de werkelijkheid zichtbaar tafereel met kleurpuntjes weer te geven. Ook Seurat was erg geïnteresseerd in wat chemie, fysiologie en psychologie over kleuren te vertellen hadden. Voor een inzicht in het werk van Laperre is zijn toepassing van de kleurwetten van chemicus Eugène Chevreul niet van belang, maar wél het feit dat Seurat in zijn schilderijen het klassieke overwicht van de vorm boven de kleur met succes doorbreekt. In zijn pointillisme ontdekt hij dat een verzameling kleurstippen, vanuit enige afstand bekeken, zich vermengen tot een nieuw, uniek geheel in het oog van de toeschouwer. Laperre heeft met pointillisme op zich niets te maken. Toch verkrijgt hij met zijn eigen techniek een vergelijkbaar effect.

Seurat mag dan kleur boven de vorm plaatsen, voor hem moest de door kleur verkregen vorm wel degelijk precies en nauwgezet zijn. Dat blijft ook een opdracht voor Laperre, die allesbehalve een informele kleurkwakker is maar, aan het einde van zijn meng- en overschilderingproces evenzeer een vaste vorm bereikt.

Hoe interessant zulke overwegingen ook, ze verdonkeremanen de hamvraag die wil weten wat kleuren met ons doen. Waarom stemt donkerblauw ons peinzend, zelfs melancholiek, terwijl geel ons aanzet tot dadendrang? Waarom wekt een witte rat onze interesse, terwijl een bruine rat ons afstoot? Kortom, hoe komt het dat vormen en vooral kleuren onze morele dispositie beïnvloeden?

In alle culturen en beschavingen spelen kleuren een identiteitsscheppende rol. Dat frappeert elke bezoeker die Tibet of een van de Himalayastaten verkent. Kleuren bepalen niet alleen het wijde spectrum van grondstemmingen, van mild en harmonisch tot gramstorig en furieus; bovendien correspondeert in de Tibetaanse levensvorm elke kleur met een hemelrichting, een mantrasyllabe, een kosmisch lichaam, een boeddhistische godheid én een deel van het lichaam van de mediterende adept.

Maar we hoeven het bepaald niet zo ver te zoeken. Een geweldig dichter als Charles Baudelaire bezingt de vele geheime zintuiglijke correspondenties van geuren vol tactiele frisheid van een kinderhuid die met de klank van een hobo groen zijn als de steppen. O synesthesie, het unieke samenvloeien van zicht, gehoor, tastzin, reukzin en smaak!

Zelf denk ik dat we het niet kunnen verteren dat kleuren gewoon kleuren zijn die niets betekenen en die, zoals de kunsten, enkel om zichzelfs wil bestaan. We verdragen ze niet, kleuren die de kleren van de keizer zouden blijken: naakt, zin- en betekenisloos, louter decoratief franje, een deklaag. Nee. Er hangt terecht een onmiskenbare mystiek rond kleuren die ze verbindt met alles wat wij mensen ten diepste voelen.

Alweer een Franse dichter, Arthur Rimbaud, rekt zelfs de klinkers op tot kleuren – a is zwart, e wit, i rood, u groen, o blauw. Het zijn allemaal revolutionaire ingrepen die hokjesdenken, vakindelingen, roestige clichés onderuithalen.

Laperres schilderwerk herinnert er ons aan dat ook onze tijd nood heeft aan verse openheid. Op zijn manier bombardeert hij ingesleten gewoonten om naar schilderijen te kijken. Hij zoekt de weg naar een zinderende diepte onder het rimpelloze oppervlak. Kijk maar naar het gulle reliëf van krassen, krochten, sleuven: als bominslagen in het kleurenveld. Laperres schilderijtjes zijn niet glad, geschuurd, geslist, gelakt of gelikt. Als de schilder zijn atelier beklimt dan metamorfoseert de keurig opgevoede zoon, de aan mode verslingerde dandy, de gedisciplineerde vormgever en hartelijke vriend tot een ongelikte schildersbeer. Die vreet kunst uit alle verf en gaat in zijn op het doek uitgegoten kleuren tekeer als een door de duivel achternagezeten goudzoeker.

Laperres eenmanskleurgevecht in het atelier kan je vergelijken met de dynamiek van de psychoanalyse, waarin het bewuste en het onbewuste in een voortdurend conflict verwikkeld zijn. Ik kies mijn kleuren niet, zei Laperre me onlangs, mijn techniek bestaat in de niet-uitsluiting van de kleuren die zich aandienen. Ik zit middenin een kleurlandschap, ik laat me verrassen want ik heb geen favoriete kleur. Ik werk nooit aan meer dan één schilderij tegelijk omdat in de kleurenstrijd sommige kleuren uiteraard onderaan komen te liggen. Wil ik ze, gaande het schilderproces, terug oproepen om ze een tweede optreden te gunnen, dan moet ik wel weten waar zich welke onderschilderingen bevinden.

Alweer een opvallend met de psychoanalyse verwante techniek. Daar komen ingrijpende maar verdrongen gebeurtenissen uit de kinderjaren van de analysant terug aan de oppervlakte via een vrije woordenassociatie. Zo kan de analysant zijn storende symptomen oplossen. Ook Laperre kan via zijn onbewuste, schijnbaar doelloze spel met de kleurverven de arbiter van zijn eigen schildersknoop worden, de eerste criticus van zijn eigen schepping dankzij de herontdekking en herplaatsing van aanvankelijk joyeus ondergeschilderde lagen.

Ik kom tot een slot. Talrijke getalenteerden worden kunstenaar in weerwil van, of juist dankzij een moeilijke jeugd. An unhappy childhood is a writer’s gold mine, schrijft romancier Graham Greene.

Lode Laperre markeert hier een grote uitzondering. Hij is een keizerskind, wat zeg ik, een godenkind. Zijn aardse ouders zijn schatten. Zijn aardse vrouw dient hem als een keizer. Zijn aardse vrienden gaan voor hem door het vuur. Zijn aardse galeriehouder verspreidt hem intercontinentaal.

En toch kiest Laperre ervoor te excelleren als een hartstochtelijke gek van kleuren die zich liefst alleen in z’n atelier opsluit om te spelen. Vrij van ouders, vrouw, vrienden, kunstminnaars en zelfs goden. Vrij, want met Jean-Jacques Rousseau weet Laperre: vrijheid is de hoogste bestemming van de geest.

Maar aan kleuren laat dit begaafde kind van middelbare leeftijd zich maar te gaarne binden. Kleuren van de keizer, keizer van de kleuren: goddelijke kleuren.


Frans Boenders